Ondernemingspensioenfondsen hebben dit jaar overwegend gekozen voor opbouwverlaging boven premieverhoging. Bij bpf’en was dat andersom.

Dat blijkt uit een inventarisatie van opbouw- en premieveranderingen per 2020 door onderzoeksbureau TPRA, in het kader van het jaarlijkse ratingonderzoek naar de kwaliteit van regelingen.

In 2020 kregen alle fondsen te maken met dalende rente of lagere rendementsverwachtingen, wat noopte tot aanpassing van de premie en/of opbouw.

Bij de onderzochte bedrijfstakfondsen leidde dat vaker tot een premieverhoging (dertig gevallen) dan tot een opbouwverlaging (vijftien gevallen). Bij opf’en was het andersom: er waren meer opbouwverlagingen (elf) dan premiestijgingen (acht).

Voor het onderzoek zijn 42 regelingen van 41 ondernemingspensioenfondsen bekeken en 73 regelingen van 43 bedrijfstakfondsen. Dit zijn niet alle regelingen in de markt. Reden is dat niet altijd zowel opbouw als premie (als percentage van de grondslag) bekend is bij TPRA.

‘Bpf’en hadden inhaalslag te maken’

Een verklaring voor het verschil is dat bedrijfstakfondsen op zich al lagere premies kenden dan opf’en, stelt onderzoeker Michael Deinema. Zo was in 2019 de gemiddelde premie bij een bpf 22,8%, tegen 28,4% voor opf’en.

Dat komt deels door betere regelingen bij opf'en, maar bpf’en maken ook meer gebruik van premiedemping, aldus Deinema. De premiedekkingsgraad lag daardoor lager voor bpf’en: eind 2018, de laatste bekende gegevens bij TPRA, ging het om 88% bij bpf’en tegen 104% voor opf’en. ‘Qua premie moesten bpf’en dus een inhaalslag maken ten opzichte van ondernemingspensioenfondsen’, concludeert Deinema.

Bij ondernemingspensioenfondsen is ook vaker sprake van een cdc-regeling, waarbij in principe de premie vastligt - al waren er enkele cdc-regelingen waar de premie toch steeg. Van de opf-regelingen is 60% een cdc-regeling, bij bpf-regelingen is dat aandeel maar 14%

Premiestijgingen opf’en groter

De opf’en die dit jaar de premie verhoogden, hebben dat gemiddeld genomen rigoureuzer gedaan dan bpf’en. Het ging bij opf’en om gemiddeld 4,2%-punt stijging, en maximaal 13%-punt. Bij bpf’en was dat gemiddeld 1,7%-punt en maximaal 3,3%-punt.

De grootste premiestijging bij opf’en was te vinden bij kring Forward van het Unilever APF (van 39,1% naar 52,2%). Bij bpf’en zat de grootste premiestijging bij BPL (van 21,7 naar 25%).

Opbouwdalingen vergelijkbaar

De fondsen die de opbouw verlaagden, deden dat met gemiddeld 0,2%-punt. Dit is bij opf’en en bpf’en hetzelfde.

De grootste opbouwdaling onder opf’en was in 2020 te vinden bij ING CDC-pensioenfonds (-0,44%-punt). De grootste opbouwdaling bij bpf’en, in absolute termen, was bij Particuliere Beveiliging (van 1,875% naar 1,49%).

Van de premie- en opbouwwijzingen bij bedrijfstakpensioenfondsen bracht Pensioen Pro reeds begin dit jaar een uitgebreider overzicht.