Pensioenfonds Werk en (re)Integratie zoekt beleggingen op die tot de verbeelding spreken van de achterban. Het doet bij huurwoningen onderzoek naar een grotere nadruk op het middensegment en de renovatie van sociale huisvesting.

‘De beursgenoteerde vastgoedfondsen waarin wij beleggen, hebben maar een beperkt aantal woningen met een maandelijkse huur van €720 tot €1000’, zegt Hermien Wiselius, bestuurder bij PWRI en lid van de beleggingscommissie. ‘Terwijl er juist in dit segment een groot tekort is. Het zou mooi zijn als wij vanuit onze maatschappelijke rol een bijdrage kunnen leveren aan de bouw van dit soort woningen.’


In deze serie publiceert Pensioen Pro interviews met cio’s/bestuurders van pensioenfondsen over het beleggingsbeleid. Eerder verschenen beleggingsprofielen van Rabobank Pensioenfonds en Tandartsen Pensioenfonds.


Daarvoor zal PWRI wel de discussie moeten aangaan met andere participanten in het woningvastgoedfonds van Syntrus Achmea Real Estate & Finance. In het Achmea Dutch Residential Fund wordt op dit moment voor ruim 50% in huurwoningen van boven de €1000 belegd. Veelal in de vier grote steden en de regio ‘overige randstad’. Wiselius: ‘Om meer richting het middensegment te gaan, zou de portefeuillemanager wellicht meer naar randgemeenten moeten kijken. Dit is zeker een gespreksonderwerp in de participantenvergadering.’

De bestuurder hoopt dat andere beleggers in het vastgoedfonds ook voorstander zijn van meer nadruk op middenhuur, omdat de vraag hiernaar heel groot is. ‘Mocht dat lastig blijken, dan kunnen we daar ook naar kijken bij onze andere vastgoedmanagers Altera en CBRE.’ Wiselius sluit niet uit dat Syntrus, Altera en CBRE al vanuit zichzelf meer in het middensegment gaan investeren, omdat zij hebben aangegeven dat dit hun focusgebied is voor de komende jaren. Hermien Weselius PWRI

PWRI belegt momenteel 3,9% van zijn €9,4 mrd aan belegd vermogen in niet-beursgenoteerde vastgoedfondsen. Het breidt deze beleggingen in 2020 uit voor de nodige spreiding. Het fonds selecteerde daarvoor Altera, ASR, Bouwinvest en CBRE als nieuwe managers.

Het pensioenfonds onderzoekt ook of het kan bijdragen aan de verduurzaming van sociale woningen, waar een groot deel van de deelnemers zelf in woont. Die huizen behoren niet tot het domein van de vastgoedfondsen waarin PWRI belegt, maar zijn traditioneel het terrein van woningbouwcorporaties. Er zijn de komende jaren miljarden nodig om bestaande woningen te verduurzamen.

Wiselius: ‘We bekijken of het bij ons fonds past om in sociale huurwoningen te beleggen via WSW-leningen. Het Waarborgfonds Sociale Woningbouw borgt leningen van financiers aan woningbouwcorporaties. Ook de overheid staat garant voor deze leningen, waardoor het een relatief veilige belegging is. De beslissing moet vallen bij het opstellen van het beleggingsplan voor 2021, dat dit najaar wordt opgesteld. Of na de alm-studie van 2021.’ APG verstrekte vorig jaar voor het eerst sinds decennia een lening aan woningbouwcorporatie de Alliantie.


Relatief veel in return, weinig in matching

PWRI krijgt er sinds 2015 geen nieuwe actieve deelnemers meer bij, omdat de sociale werkvoorzieningen toen zijn gesloten voor nieuwe werknemers. De premie-instroom daalt daardoor elk jaar en het fonds krijgt steeds meer slapers en gepensioneerden. Het fonds telt nog 80.000 werkenden op een totaal van 200.000 deelnemers.

Dit heeft vooralsnog niet geleid tot een behoudender beleggingsbeleid. De beleggingen van het fonds zitten voor 61% in de returnportefeuille en 39% in de matchingportefeuille. Wiselius: ‘We beleggen vrij offensief, vanwege onze indexatie-ambitie.’

Wel heeft de forse allocatie naar risicovollere beleggingen continu de aandacht van het bestuur. ‘We gaan de verhouding bezien als de huidige duratie van het fonds, nu nog 18,5, onder de 14 zakt. Of als de liquiditeitsbehoefte meer dan 3% van het vermogen bedraagt.’

Het fonds discussieert ook over de samenstelling van de matchingportefeuille. ‘Bekeken wordt of de verhouding tussen staats/bedrijfsobligaties en renteswaps moet worden aangepast en of we willen beleggen in andere categorieën, zoals WSW-leningen. De discussie over de matchingportefeuille krijgt met het Pensioenakkoord een nieuwe dimensie’, zegt Wiselius. ‘Maar het valt nu nog niet te zeggen of we hierdoor anders gaan beleggen.’


Insluitingsportefeuille
Het pensioenfonds heeft al langer ervaring met het zoeken van beleggingen die aansluiten bij de belevingswereld van deelnemers. Het fonds houdt bij de illiquide beleggingen sinds 2016 een ‘insluitingsportefeuille’ aan.

Daarin zitten vijftig beursgenoteerde bedrijven die de ambitie hebben om mensen aan te nemen met een achterstand tot de arbeidsmarkt, conform het Sociaal Akkoord uit 2013. Hoewel het beursgenoteerde bedrijven zijn, heeft het fonds ze toch in het hokje ‘illiquide’ gestopt. ‘We hanteren een buy-and-hold strategie’, zegt Aldert Boonen, bestuurslid en medeverantwoordelijk voor het insluitingsbeleid en de communicatie daarover. Aldert Boonen PWRI

Het doel is dat alle bedrijven voor hun Nederlandse vestigingen werk bieden aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. ‘Ze kunnen dit aantonen door zich te laten certificeren voor de ‘Prestatieladder Socialer Ondernemen’, die mede ontwikkeld is door TNO. Hiermee laten ze zien te voldoen aan de eisen voor inclusief werkgeverschap. PWRI heeft de afgelopen 2,5 jaar aan de vijftig bedrijven gevraagd dit te laten zien via PSO-certificering. Inmiddels hebben 23 ondernemingen daar gehoor aan gegeven.

Boonen: ‘Het aantal bedrijven is de afgelopen jaren aardig toegenomen, maar het gaat niet vanzelf. We moeten echt het gesprek aangaan met bedrijven om ze scherp te houden en het hoog op de agenda te houden. Toch zien we de animo voor het PSO-certificaat sinds een jaar toenemen. Beursgenoteerde bedrijven steken elkaar aan. Maar ze worden ook aangesproken door opdrachtgevers die al een certificering hebben.’ De impact wordt gemeten door het aantal werknemers dat bij een bedrijf en zijn inkooprelaties in dienst is met een achterstand tot de arbeidsmarkt. Dat zijn er inmiddels een paar honderd. ‘Het werkt dus als een olievlek.’

Draai naar passief met liquide aandelen

Naast de ‘illiquide’ insluitingsportefeuille heeft het fonds ook nog twee ‘liquide’ aandelenportefeuilles. In 2018 stapte het daarvoor over van actief naar passief beheer, waarbij bedrijven meer gewicht krijgen als ze goed scoren op CO2-uitstoot, arbeidsrechten, de gezondheid van werknemers en hun veiligheid. Door de draai naar passief daalden de vermogensbeheerkosten vorig jaar van 0,53% naar 0,32%.

Het fonds bracht vier aandelenportefeuilles terug naar twee passieve: één voor ontwikkelde markten en één voor opkomende landen. Binnen de portefeuilles ligt de nadruk op twee esg-criteria. Bij de ‘e’ ‘van environmental moet de CO2-uitstoot minimaal 20% worden teruggebracht ten opzichte van de bredere MSCI World Index. Het fonds zit nu op 25% tot 30%. Het bekijkt of de doelstelling naar boven moet worden bijgesteld.

Daarnaast krijgt de ‘s’ van sociaal bij ontwikkelde markten invulling door bedrijven die veel aandacht hebben voor het naleven van arbeidsrechten en het creëren van een gezonde en veilige werkomgeving een groter gewicht te geven. Het gewicht van deze bedrijven moet in de PWRI-portefeuille 10% hoger liggen dan in MSCI World Index.

Bij opkomende markten geldt deze lat ook, maar dan zonder verdere specificering van het begrip sociaal. ‘Voor bedrijven uit opkomende landen is daar nog simpelweg niet genoeg data voor beschikbaar’, legt Wiselius uit.

Het bestuur wil niet dat bedrijven in aanmerking komen voor een hoger gewicht als ze goed scoren op milieu en social, maar heel slecht op governance. Daarom heeft het als extra eis gesteld dat de ‘combinatiescore’ van de e,s en de g voor een bedrijf minimaal 1,5% hoger moet liggen dan die van de MSCI World Index.

Twee asset managers concurreren

PWRI ontwikkelde de strategie met zijn fiduciair manager BMO. De twee portefeuilles worden beheerd door DWS en UBS Asset Management. Beide beheren een mandaat van circa €1,5 mrd, waarin zowel aandelen uit ontwikkelde als opkomende landen inzitten.

Het pensioenfonds heeft bewust gekozen voor twee assetmanagers. Wiselius: ‘De strategie met de nadruk op CO2-uitstoot en sociale criteria is vrij nieuw en we wilden zien hoe deze uitpakt bij verschillende vermogensbeheerders. Zij hebben ieder hun eigen model voor de invulling van het mandaat. In de portefeuille bij UBS zitten bijvoorbeeld veel meer titels dan bij DWS. UBS handelt ook veel meer gedurende het jaar.’ Volgens de bestuurder is het nu nog te vroeg om te concluderen welke vermogensbeheerder het beter doet.

Het fonds heeft besloten dat ook de bedrijfsobligatie-portefeuille van ruim €1 mrd op een duurzame manier moet worden ingericht, via dezelfde aanpak als de aandelenportefeuille. De obligatiebeleggingen zitten in een fonds van BMO zelf.

Sociale insteek ten koste van rendement?
Het liquide deel rendeerde in 2019 25,79%. Dat is 1,28%-punt hoger dan de benchmark. Ook tijdens de coronacrisis presteerden de duurzame portefeuilles beter, meent Wiselius. Toch wil ze hier nog geen conclusies uit trekken. ‘We hebben pas gegevens over één jaar. Dat is veel te kort.’

Bij de insluitingsportefeuille is de benchmark de eigen portefeuille. Het rendement kwam in 2019 uit op 23,59%. ‘Omdat het hier om slechts vijftig bedrijven gaat, fluctueert het rendement behoorlijk. Een benchmark is dan niet echt zinvol’, meent de bestuurder.


Pensioenfonds Werk in (re)Integratie in cijfers (per 30-5-2020)

Belegd vermogen: €9,4 mrd

Beleggingsmix op hoofdlijnen

 

Beleggingsmix gedetailleerd

 

Uitbesteding

Fiduciair beheer/LDI: BMO GAM

Custodian: State Street

Aantal vermogensbeheerders: acht

 

Discretionair/beleggingsfondsen

Discretionair: aandelen, groene obligaties, insluitingsmandaat

Beleggingsfondsen: onder andere bedrijfsleningen, euro-staatsleningen, direct vastgoed, hypotheken

 

Vermogensbeheerkosten (2019)

Inclusief transactiekosten: 0,32% (2018: 0,53%)

Exclusief transactiekosten: 0,25% (2018: 0,39%)